Auteursfiche
Auteur Andries, Caroline |
Beschikbare documenten van deze auteur
Het resultaat bewaren De zoekopdracht beperkenDevelopment and evaluation of a parenting prevention programme of early adolescent risk behaviour in social disadvantaged families in the Brussels-Capital Region / Engels, Tim
![]()
Titel : Development and evaluation of a parenting prevention programme of early adolescent risk behaviour in social disadvantaged families in the Brussels-Capital Region Andere titel : Ontwikkeling en evaluatie van een opvoedingsprogramma ter preventie van vroegtijdig risicogedrag bij adolescenten in sociaal achtergestelde gezinnen in de regio van de hoofdstad van Brussel Documenttype: onderzoek Auteurs: Engels, Tim, Onderzoeker ; Andries, Caroline, Promotor Taal : Engels (eng) Trefwoorden: Gezondheid en welzijn:Jeugdhulp:Hulp aan (kinderen in) gezinnen
Kinderen in kwetsbare situaties:AlgemeenSamenvatting: Dit project betreft onderzoek naar de ontwikkeling en evaluatie van een opvoedingsprogramma ter preventie van vroegtijdig adolescent risicogedrag in sociaal achtergestelde gezinnen in de regio van de hoofdstad van Brussel. Het eerste doel van het onderzoeksprogramma is de detectie van de voornaamste elementen van een ondersteuningsprogramma m.b.t. risicogedrag van vroegtijdig sociaal achtergestelde adolescenten in de binnenstad. De tweede doelstelling is het evalueren van de effectiviteit van het programma zodanig dat de verdere ontwikkeling van preventieve acties, met respect voor de specifieke situatie in Brussel-hoofdstad, mogelijk wordt voor ouders en adolescenten die onder de armoedegrens leven. Het onderzoek integreert resultaten over sociaal achtergestelde regio’s en risicogedrag van Franstalige en Nederlandstalige adolescenten, ter detectie van parameters voor een preventief opvoedingsprogramma in arme buurten. Het onderzoek bestaat uit vier fasen. In een eerste fase wordt een conceptueel model ontwikkeld dat gebaseerd is op literatuur, alsook op de analyse van epidemiologische en socio-demografische data. Over dit structureel vergelijkingsmodel vindt een discussie plaats met enerzijds vertegenwoordigers van gemeenschapsgebaseerde organisaties en anderzijds organisaties gericht op preventie. In de tweede fase wordt een Delphi ‘survey’ afgenomen om de kenmerken van een succesvol preventieprogramma te ontwaren. In het Delphi panel (N = 30) nemen ouders van adolescenten, adolescenten, preventiewerkers, gemeenschapswerkers, specialisten in de preventie van opvoedingsprogramma’s en sociaal werkers deel. Doorheen deze kwalitatieve onderzoeksmethode worden de verschillende ideeën en visies van de deelnemers geïntegreerd. In de derde fase wordt het ondersteuningsprogramma opgesteld in samenwerking met verschillende sociale actoren. Strategieën worden verkend om deze sociaal achtergestelde adolescenten en hun ouders te bereiken door middel van een intensief contact met deze lokale organisaties. In zowel parallelle als gewone sessies bereikt men de ouders en adolescenten zelf. De doelgroep van het programma zijn vroegtijdige adolescenten met een leeftijd van 12 tot 15 jaar. Het ultiem doel van het programma is een verbetering in communicatie tussen ouders en adolescenten, alsook het ondersteunen van ouderlijke praktijken en/of zelfvertrouwen van adolescenten. Parallel aan dit programma stelt de ‘Solomon Four Group Multivariate Repeated Measures design’ de effectiviteit van het programma vast. Door zowel metingen aan het eind van het programma als door ‘follow-up’ metingen (respectievelijk 3, 6 en 12 maanden later) wordt geëvalueerd of het ondersteuningsprogramma haar doelen heeft bereikt. Summary: This project concerns research regarding the development and evaluation of a parenting prevention programme of early adolescent risk behaviour in socially disadvantaged families in the Brussels-Capital Region. The primary aim of the research programme is to detect the core elements of a family support programme concerning risk behaviour of socially disadvantaged adolescents in inner cities. The secondary aim is to evaluate the effectiveness of the programme, so that preventive activities concerning parents and adolescents who live below the poverty level can be further developed with respect to the specific situation in the Brussels-Capital Region. The project integrates results of research concerning socially disadvantaged areas and risk behaviour of French and Dutch speaking adolescents, in order to detect parameters for a parenting prevention programme in poor neighbourhoods. The research concerns four stages. In the first stage, a conceptual framework is developed, based on literature and secondary analysis of epidemiological and socio-demographic data. This structural equation model is discussed with representatives of community-based organisations on the one hand and of organisations working on prevention on the other hand. In the second stage a Delphi survey is conducted to identify characteristics of a successful prevention programme. In the Delphi panel (N = 30), parents of early adolescents (including parents of adolescents in treatment of risk behaviour), adolescents, prevention workers, community workers, specialists in prevention and parenting programmes and counsellors are represented. Through this qualitative research method different ideas and visions of the participants are integrated. In the third stage the parenting programme is set up in co-operation with different social actors as community workers, prevention workers, clubs and schools. Strategies are explored to reach socially disadvantaged adolescents and their parents through intensive contacts with these local organisations. In parallel and common sessions, parents of adolescents as well as adolescents themselves are reached. The target group of the programme consists of early adolescents aged 12 to 15. The scope of the programme is the amelioration of communication between parents and adolescents, and the stregthening of parenting practices and self-esteem of the adolescents. Parallel to this programme a 'Solomon Four Group Multivariate Repeated Measures design' verifies in the fourth stage the effectiveness of the prevention programme. By measurements at the end of the programme and follow-up measurements 3, 6 and 12 months later, researchers evaluate whether the goals of the parenting prevention programme are reached. Startdatum / Start date : 2002 Einddatum / End date : 2006 Onderzoeksinstelling / Research institute : Vrije Universiteit Brussel Onderzoekstype : Praktijkgericht onderzoek - Praktijkvoorbereidend onderzoek Discipline : Criminologie/Sociaal werk Methodologische dimensies : Experiment/(Secundaire) analyse van kwantitatieve crossectionele of longitudinale data/Focusgroepgesprekken/Literatuur, documentanalyse/Literatuurstudie/Regionaal/Individuen (direct betrokkenen, kinderen) bestuderen of bevragen/Individuen (direct betrokkenen, volwassenen) bestuderen of bevragen/Individuen (intermediairen) bestuderen of bevragen Link naar een elektronische bron: http://www.vub.ac.be/infovoor/onderzoekers/research/project.php?project_code=BRG [...] Vaste link: http://www.kekidatabank.be/index.php?lvl=notice_display&id=2057 'Forgotten’ children: their experiences of bereavement and the possible impact of situational aspects, delineated through participant observation and phenomenology
![]()
Titel : 'Forgotten’ children: their experiences of bereavement and the possible impact of situational aspects, delineated through participant observation and phenomenology Andere titel : ‘Vergeten’ kinderen: hun verlieservaringen en de mogelijke impact van situationele aspecten, opgetekend via deelnemerobservatie en fenomenologie Documenttype: onderzoek Auteurs: Andries, Caroline, Promotor Taal : Engels (eng) Trefwoorden: Gezondheid en welzijn:Geestelijke gezondheid
Kinderen in kwetsbare situaties:Kinderen die leven / werken op straat
Kinderrechten (algemeen):Participatie:Participatie in onderzoekSamenvatting: Dit project betreft onderzoek naar de ervaringen van ‘vergeten’ kinderen m.b.t. verlies en de mogelijke impact van situationele aspecten. De studie naar de fenomenologie van (complexe) rouw onder kinderen en adolescenten is gebrekkig. Bovendien wordt de nood voor meer wetenschappelijk onderzoek naar straatkinderen benadrukt, wat het vastleggen van een stevige kennisbasis, alsook het ondersteunen van deze straatkinderen in het verbeteren van de kwaliteit van hun leven, mogelijk maakt. Het combineren van deze beperkte onderzoeksresultaten binnen deze twee onderzoeksvelden geeft aanleiding tot de aanname dat straatkinderen – een term die ook relevant toepasbaar is op de Belgische context volgens Gillebeert en Claes (2002) – zichzelf in een specifieke situatie bevinden bij de confrontatie- en het omgaan met verlies. Door middel van fenomenologisch onderzoek en deelnemerobservatie bij vier ‘street-based’ jeugdwerkinitiatieven in Vlaanderen en twee in Bolivië, verschaft dit onderzoek inzicht in: (1) de manier waarop kinderen (veranderingen resulterend uit) het verlies van een persoon binnen hun microsysteem ervaren(Bronfenbrenner, 1995); (2) de ‘coping’ strategieën die ze zichzelf aanmeten om met spanningen die resulteren uit dit soort verlies om te gaan; (3) de mate waarin concepten als ‘complexe rouw’ (Melhem et al., 2007) en ‘traumatische rouw in de kindertijd’ (Cohen et al., 2007) – populair in de Westerse geestelijke gezondheidszorg – overeenkomen met de verhalen van deze kinderen over hun gedachten, gevoelens en gedrag; en (4) welke situationele aspecten en andere variabelen mogelijks van invloed zijn op de ervaringen van de kinderen met dit soort verlies. Deze studie beoogt een kennisverrijking in deze materie door middel van zowel creatieve sessies met straatkinderen als semigestructureerde diepte-interviews met jeugdwerkers. Summary: This project concerns research into 'forgotten’ children’s experiences of bereavement and the possible impact of situational aspects. The phenomenology of (complicated) grief among children and adolescents is not well studied. As well, the need for more scientific research focusing on street children is underlined, in order to build a firm knowledge base and support these children in improving their quality of life. Combining the limited research results in these two fields gives reason to believe that street children, a term that can also be applied to the Belgian context according to Gillebeert and Claes (2002), find themselves in a specific position concerning confrontation and dealing with loss. By means of phenomenological research and participant observation with four street-based youth work initiatives in Flanders (Belgium) and two in Bolivia, the following research questions ar put forth: (1) how do children experience (changes resulting from) the loss of a person from their micro system (Bronfenbrenner, 1995)?; (2) which coping strategies do they adopt in order to deal with stressors linked to this kind of loss?; (3) Do concepts like complicated grief (Melhem et al., 2007) and childhood traumatic grief (Cohen et al., 2004), popular in Western mental healthcare, correspond to the stories these children tell concerning their thoughts, feelings and behaviours?; and (4) What situational aspects and other variables possibly affect the experiences of bereavement of these children? To gain more understanding regarding this topic, creative sessions are organized with street children and semi-structured in-depth interviews are conducted with youth workers. Startdatum / Start date : 2009 Einddatum / End date : 2011 Onderzoeksinstelling / Research institute : Vrije Universiteit Brussel Onderzoekstype : Theoriegericht, fundamenteel onderzoek - Ander fundamenteel onderzoek Discipline : Psychologie/Sociale wetenschappen Methodologische dimensies : Diepte- en/of expertinterviews/(Participerende) observaties/Momentopname, crossectioneel/Internationaal/buitenland/Individuen (direct betrokkenen, kinderen) bestuderen of bevragen/Individuen (intermediairen) bestuderen of bevragen Link naar een elektronische bron: https://cris.vub.be/en/projects/forgotten-children-their-experiences-of-bereavem [...] Vaste link: http://www.kekidatabank.be/index.php?lvl=notice_display&id=2058 Kinship and non-kinship foster care: Differences in contact with parents and foster child’s mental health problems. / Vanschoonlandt, Femke
![]()
Titel : Kinship and non-kinship foster care: Differences in contact with parents and foster child’s mental health problems. Documenttype: artikel Auteurs: Vanschoonlandt, Femke, Auteur ; Vanderfaeillie, Johan, Auteur ; Van Holen, Frank, Auteur ; De Maeyer, Skrållan, Auteur ; Andries, Caroline, Auteur Uitgegeven: Amsterdam [Nederland] : Elsevier Publicatiedatum: 2012 Tijdschrift: Children and Youth Services Review Vol. 34 Paginering : p. 1533-1539 Taal : Engels (eng) Trefwoorden: Gezin:Alternatieve zorg:Pleegzorg
Gezondheid en welzijn:Geestelijke gezondheidSamenvatting: Pleegzorgplaatsingen, vooral plaatsingen bij verwanten, zijn de eerste optie als de ouders de zorg niet kunnen handhaven voor hun kinderen. Daarom is een evaluatie van dit soort out-of-home-plaatsing, met speciale aandacht voor de verschillen tussen de verwantschap en niet-verwantschapsplaatsingen, noodzakelijk. In deze studie worden beide types pleegzorgplaatsingen (n = 186) vergeleken voor twee belangrijke aspecten: het contact met / houding van de ouders en de geestelijke gezondheid van pleegkinderen. Non-netwerkpleegzorg plaatsingen lijken beter op de verschillende aspecten van contact met / houding van de ouders dan netwerkpleegzorg plaatsingen. Pleegkinderen in netwerkpleegzorgplaatsingen hebben minder gedragsproblemen dan niet-verwantschap pleegkinderen. Echter, niet het type pleeggezin, maar het aantal eerdere out-of-home plaatsingen is de belangrijkste voorspellende factor voor gedragsproblemen. Implicaties voor de praktijk en het beleid worden besproken. Summary: 206. Foster care placements, especially placements with kin, are the first option of choice when parents cannot maintain the care for their children. Therefore, an evaluation of this type of out-of-home-placement, with special attention for the differences between kinship and non-kinship placements, is necessary. In this study both types of foster placements (n = 186) are compared for two important aspects: contact with/attitude of parents and mental health of foster children. Non-kinship foster placements fare better on different aspects of contact with/attitude of parents than kinship foster placements. Foster children in kinship foster placements have less behavioral problems than non-kinship foster children. However, not the type of foster placement but the number of previous out-of-home placements is the most important predictive factor for behavioral problems. Implications for practice and policy are discussed. Link naar een elektronische bron: http://www.sciencedirect.com/science/article/pii/S0190740912001685# Vaste link: http://www.kekidatabank.be/index.php?lvl=notice_display&id=2630
Titel : Mental health of foster children: Do biological fathers matter? Documenttype: artikel Auteurs: Vanschoonlandt, Femke, Auteur ; Vanderfaeillie, Johan, Auteur ; Van Holen, Frank, Auteur ; De Maeyer, Skrållan, Auteur ; Andries, Caroline, Auteur Uitgegeven: New York : Child Welfare League of America Publicatiedatum: 2012 Tijdschrift: Child Welfare Vol. 91 Paginering : p. 149-166 Taal : Engels (eng) Trefwoorden: Gezin:Alternatieve zorg:Pleegzorg
Gezondheid en welzijn:Geestelijke gezondheid
Gezondheid en welzijn:Jeugdhulp:Hulp aan (kinderen in) gezinnenSamenvatting: De hoge prevalentie van psychische problemen bij pleegkinderen is goed gedocumenteerd (bv Armsden, Pecora, Payne & Szatkiewicz, 2000; Tarren-Sweeney, 2008). Vanuit ecologisch perspectief, kan worden verwacht dat een aantal factoren uit verschillende systemen (bijvoorbeeld pleegkind, pleeggezin, biologische ouders, en de gemeenschap) de gedragsproblemen van pleegkinderen kunnen beïnvloeden. Vooral de invloed van ervaringen voor de zorg, zoals een voorgeschiedenis van mishandeling (Oswald, Heil & Goldbeck, 2010), en ervaringen in de zorg, zoals het aantal out-of-home plaatsingen (Newton, Litrownik & Landsverk, 2000), zijn onderzocht en bevestigd. Hoewel het onderzoek naar voorspellende factoren van gedragsproblemen van pleegkinderen groeit (McWey, tartend, & Porter, 2010), wordt de mogelijke invloed van een belangrijke iets verwaarloosd: biologische vaders. Dit is opmerkelijk gezien de centrale rol van de biologische ouders in familiepleegzorg (O'Donnell, 2001), en zelfs nog meer opvallend gezien het groeiende bewijs van de invloed van vaders op ontwikkelingsstoornissen van kinderen (Lamb, 2010). Deze studie bespreekt de betrokkenheid van biologische vaders bij de plaatsing van hun kind en hun associatie met het welzijn van het pleegkind. Eerst bespreken we de literatuur over de invloed van ouders op de geestelijke gezondheid van de pleegkinderen en het beperkte onderzoek naar de betrokkenheid van de vaders. Vervolgens worden de resultaten van onze studie gepresenteerd en besproken. Summary: The high prevalence of mental health problems in foster children is well-documented (e.g., Armsden, Pecora, Payne, & Szatkiewicz, 2000; Tarren-Sweeney, 2008). From an ecological perspective, it can be expected that several factors in different systems (e.g., foster child, foster family, biological parents, and community) influence foster children's behavioral problems. Mainly, the influence of pre-care experiences, such as a history of maltreatment (Oswald, Heil, & Goldbeck, 2010), and in-care experiences, such as the number of out-of-home placements (Newton, Litrownik, & Landsverk, 2000), is investigated and confirmed. Although the body of research on predictive factors of foster children's behavioral problems is growing (McWey, Acock, & Porter, 2010), the possible influence of one important party is being neglected: biological fathers. This is remarkable given the central role of birth parents in family foster care (O'Donnell, 2001), and even more striking given the growing evidence of the influence of fathers on developmental outcomes of children (Lamb, 2010). This study reports on the involvement of birth fathers during foster care placement of their child and their association with the foster child's well-being. First, we review the literature on the influence of parents on foster children's mental health and discuss the limited research on fathers' involvement. Next, the results of our study are presented and discussed.
Link naar een elektronische bron: http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/24843953 Vaste link: http://www.kekidatabank.be/index.php?lvl=notice_display&id=2628 Elektronische documenten
Ontwikkeling en implementatie van ‘evidence-based’ trainingsprogramma’s voor pleegoudersURL


